Verblijf in het prachtige Vrindavan

Verblijf in het prachtige Vrindavan

“We moeten niet alleen de heilige naam chanten, maar ook geabsorbeerd zijn in de verzen van de Gosvāmīs, naar gelang onze eigen gemoedstoestand. Aangezien we in aanraking zijn gekomen met de lijn van Śrī Caitanya Mahāprabhu, herinneren wij ons in het bijzonder het spel-en-vermaak van Radha-Krsna in Vrindavan. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft al deze zaken heel helder uitgelegd in het vers tan-nāma-rūpa.
Er is nog een belangrijke overweging in dit vers met betrekking tot de woorden tiṣṭhan vraje – je behoort in Vraja te verblijven. Als het niet mogelijk is om daar fysiek te verblijven, verblijf daar dan in gedachten. Hoe kan iemand in gedachten in Vraja verblijven? Men kan dit bereiken door het herinneren en chanten van Kṛṣṇa’s nāma (de heilige namen), rūpa (gedaante), guṇa (kwaliteiten) en līlā (spel-en-vermaak).

Men kan Śrī Vraja-dhāma-mahimāmṛta, de nectarrijke glories van Vraja-dhāma als volgt zingen:

 

jaya rādhe, jaya kṛṣṇa, jaya vṛndāvana,

śrī-govinda, gopīnātha, madana-mohana (1)

Alle glories aan Śrī Rādhā en Kṛṣṇa in het goddelijke bos van Śrī Vṛndāvana. Alle glories aan de drie heersende Goden van Vṛndāvana – Śrī Govinda, Gopīnātha, en Madana-mohana.

 

śyāma-kuṇḍa, rādhā-kuṇḍa, giri-govardhana

kālindī jamunā jaya, jaya mahāvana (2)

Alle glories aan Śyāma-kuṇḍa, Rādhā-kuṇḍa, de Govardhana heuvel, en de Yamunā rivier (Kālindī). Alle glories aan het grote woud dat bekend staat als Mahāvana, waar Kṛṣṇa en Balarāma al Hun jeugdige spel-en-vermaak hebben vertoond.

 

keśī-ghāṭa, baṁśī-baṭa, dvādaśa-kānana

jāhā saba līlā koilo śrī-nanda-nandana (3)

All glories aan Keśī-ghāṭa, waar Kṛṣṇa de Keśī demoon doodde. Alle glories aan de Vaṁśī-vaṭa boom, waar Kṛṣṇa al de gopīs aantrok door op Zijn fluit te spelen. Alle glories aan alle twaalf wouden van Vraja. Op deze plekken vertoonde de zoon van Nanda, Śrī Kṛṣṇa, al Zijn spel-en-vermaak.

 

śri-nanda-jaśodā jaya, jaya gopa-gaṇa

śrīdāmādi jaya, jaya dhenu-vatsa-gaṇa (4)

Alle glories aan Kṛṣṇa’s goddelijke vader en moeder, Nanda and Yaśodā. Alle glories aan de koeherderjongens, met als leiders Śrīdāma, de oudere broer van Śrīmatī Rādhārāṇī en Anaṅga Mañjarī. Alle glories aan de koeien en kalveren van Vraja.

 

jaya bṛṣabhānu, jaya kīrtidā sundarī

jaya jaya paurṇamāsī, ābhīra-nāgarī (5)

Alle glories aan Rādhā’s goddelijke vader en moeder, Vṛṣabhānu en de prachtige Kīrtidā. Alle glories aan Paurṇamāsī, de moeder van Sāṅdīpani Muni, grootmoeder van Madhumaṅgala en Nāndī-mukhī, en de geliefde discipel van Devarṣi Nārada. Alle glories aan de jonge koeherdersmeisjes van Vraja.

 

jaya jaya gopīśvara vṛndāvana-mājha

jaya jaya kṛṣṇa-sakhā baṭu dvija-rāja (6)

Alle glories, alle glories aan Gopīśvara Śiva, die in Vṛndāvana verblijft om de heilige dhāma (woonplaats) te beschermen. Alle glories, alle glories aan Kṛṣṇa’s grappige brāhmaṇa vriend, Madhumaṅgala.

 

jaya rāma-ghāṭa, jaya rohiṇī-nandana

jaya jaya vṛndāvana-bāsī jata jana (7)

Alle glories aan Rāma-ghāṭa, waar Baladeva Zijn rāsa dans vertoonde. Alle glories aan Balarāma, de zoon van Rohiṇī. Alle glories, alle glories aan alle inwoners van Vṛndāvana.

 

jaya dvija-patnī, jaya nāga-kanyā-gaṇa

bhaktite jāhārā pāilo govinda-caraṇa (8)

Alle glories aan de vrouwen van de trotse Vedische brāhmaṇas. Alle glories aan de vrouwen van de Kāliya slang. Door zuivere devotie bereikten zij allemaal de lotusvoeten van Govinda.

 

śrī-rāsa-maṇḍala jaya jaya rādhā-śyāma

jaya jaya rāsa-līlā sarva-manorama (9)

Alle glories aan de plek waar de rāsa-līlā plaatsvond. Alle glories aan Rādhā en Śyāma. Alle glories, alle glories aan de goddelijke rāsa dans, de meest prachtige van al Kṛṣṇa’s spel-en-vermaak.

 

jaya jayojjvala-rasa sarva-rasa-sāra

parakīyā-bhāve jāhā brajete pracāra (10)

Alle glories, alle glories aan śṛṅgāra-rasa, die de essentie en meest excellente van alle rasas is en in Vraja bekend staat als parakīyā-bhāva.

 

śrī-jāhnavā-pāda-padma koriyā smaraṇa

dīna kṛṣṇa-dāsa kohe nāma-saṅkīrtana (11)

Terwijl zij mediteert op de lotusvoeten van Nityānanda Prabhu’s metgezel, bezingt Śrī Jāhnavā-devī, de zeer gevallen en nederige dienaar van Kṛṣṇa, de saṅkīrtana van de heilige naam.

 

Op het moment dat je deze liederen zingt, raken jouw gedachten volledig geabsorbeerd in de plaatsen van spel-en-vermaak, līlā-sthalīs van Śrī Kṛṣṇa, en je brengt vanzelf een bezoek aan deze plaatsen. Dat is perfecte vraja-vāsa, verblijf in Vṛndāvana.

Uit: Jewels of the Heart door Sripad BV Vana Maharaj